Longread: visie Mary Astell en Mary Wollstonecraft op vrouwenrechten

Auteur: Brenda Dekker in het kader van een case study voor het vak ‘Initiatie in de historische praktijk’. De PDF van deze paper werd ook geplaatst in de FB-groep Niet In Mijn Pretpark onder de tab ‘Bestanden’. Voor deze versie werden voetnoten weggehaald, enkel de bibliografie werd behouden.

Eindredactie: Isaura Van Nimp

Inleiding

Deze casestudy zal de visies van Mary Astell en Mary Wollstonecraft op vrouwenrechten en meer specifiek het recht op onderwijs toelichten en met elkaar vergelijken. Astell en Wollstonecraft waren geen tijdgenoten, maar zijn beide wel belangrijke vroege (proto-)feministische auteurs die elk uitgebreid over een voor hen belangrijk recht – met name onderwijs – hebben geschreven. Beiden kunnen dus in de geschiedenis van de ideeën gesitueerd worden in de Moderniteit en meer bepaald in de Verlichting. Daarom wordt in deze paper ook een historisch-filosofische context van de Verlichting geschetst. Astell was een belangrijke critica van onder meer John Locke, een van de belangrijkste figuren van de Engelse Verlichting. Wollstonecraft werd dan weer net beïnvloed door Locke en andere empiristen zoals David Hume. Lockes visie op onderwijs wordt ook geduid omdat hij voor Wollstonecraft een belangrijke inspiratiebron was en zijn standpunten voor Astell een bron van kritiek zijn. Ook andere auteurs worden aangehaald die al voor Astell en Wollstonecraft al gelijkaardige feministische ideeën ontwikkelden.

Deze paper is ingedeeld per auteur waarna een vergelijking wordt gemaakt tussen Astell en Wollstonecraft. De volgorde is chronologisch om zo de ontwikkeling en de evolutie van de verschillende visies op onderwijs beter te illustreren. Soms kan er echter een overlapping zijn tussen de verschillende delen. Bovendien worden al tijdens de toelichting van de aparte visies vergelijkingen geschetst.

Biografieën

Mary Astell wordt geboren in Newcastle en behoort tot een familie van industriëlen. Haar oom, een uitgetreden priester, onderwijst haar. Nadat haar ouders zijn overleden, verhuist zij naar Londen waar ze tot intellectuele kringen gaat behoren, samen met andere intellectuele vrouwen waarvan velen van adellijke afkomst. Astell heeft geprobeerd om zelf een school op te richten, afgezonderd van de buitenwereld, vergelijkbaar met het kloosterleven. Hiervoor vindt ze echter geen of te weinig financiële bronnen zodat ze haar revolutionaire ideeën niet kan omzetten in de praktijk.

Mary Wollstonecraft komt net als Astell uit een aan lager wal geraakte familie en ook zij krijgt een opleiding van een priester die bevriend is met de familie. Ze wordt geboren in Londen en heeft daarnaast ook in Ierland, Bath en Newington Green gewoond. In de laatste plaats heeft ze een school opgericht, samen met haar zus en een vriendin. Deze school leidt ze ook een tijdje, maar als ze terugkeert van een reis naar Portugal blijkt de school in slechte staat. Uiteindelijk besluit Wollstonecraft de school stop te zetten en gouvernante te worden omdat de school financieel niet meer rendabel is. Wollstonecraft heeft twee kinderen gekregen, waarvan één ook een schrijfster is geworden.

Historische context

De Verlichting  

Astell en Wollstonecraft zijn te situeren in respectievelijk de beginperiode en de eindperiode van de Verlichting. Typisch aan de Verlichting is dat alles redelijk en kritisch verantwoord moet worden. De rede en het individu komen centraal te staan. Door dit pleidooi voor een kritische ingesteldheid komt ook de emancipatie van de mens op het voorplan. De mens begint zich los te maken van tradities en dat uit zich in de eerste plaats door een veranderende houding tegenover het geloof. Politiek, economie en ethiek raken langzamerhand geseculariseerd. Toch blijft het geloof een belangrijke rol spelen, en dat is ook te merken in de werken van Astell. De individuele geloofsbeleving wordt belangrijk, een evolutie die gesteund wordt door de groei van verschillende vormen van protestantisme, waar onder ook het geloof van Astell – het Anglicanisme.

In de Verlichting worden het geluk en de ontwikkeling van het individu steeds belangrijker. Deze ontwikkelingen hebben ook hun uitwerking op feministische auteurs zoals Astell en Wollstonecraft. In tijden dat er werd gepleit voor vrijheid en emancipatie van de mens proberen zij de aandacht te vestigen op de specifieke positie van de vrouw die erg achtergesteld is. Veel Verlichtingsfilosofen (zoals Locke bvb.) zijn egalitaristisch ingesteld, maar het zijn de (proto-)feministen die deze humanistische visie toepassen op de vrouw en ijveren voor gelijke onderwijskansen. Als iedereen het recht heeft om in vrijheid de rede te ontwikkelen, zo is de redenering, moet dit ook voor vrouwen het geval zijn.

Feministische traditie  

Feminisme heeft, in tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, een traditie die verder teruggaat dan de Verlichting. Ook in de 16e-eeuwse Renaissance waren er Italiaanse, Franse en Nederlandse auteurs die voor vrouwenrechten pleitten. Mary Astell is zeker niet de eerste die Descartes’ rationalisme gebruikt om te argumenteren voor een ziel zonder geslacht. François Poulain de la Barre (1647-1725) voegde al feministische ideëen samen met Descartes’ visie op het mind-body-probleem en pleitte daarom dat de geest sekseloos is. Ook dit idee is niet origineel, het heeft zijn wortels in de platoons-christelijke traditie. Baldassare Castiglione (1478-1529) opperde al tegen het eind van de 15de, begin 16e eeuw dat mannen en vrouwen dezelfde capaciteiten hebben.

Lucrezia Marinella (1571-1653), een Venetiaanse auteur, haalt dan weer het argument dat mannen beter zijn dan vrouwen door van hun grotere fysieke kracht onderuit: als dat waar is, dan is een smid beter dan een koning. Daarnaast leidt te veel brute kracht tot tirannie, stelt ze. Marie de Gournay (1565-1645) haalt de scholastische concepten van substantie en accidentie aan: het menselijk lichaam is de substantie en of dat lichaam vrouwelijk of mannelijk is, dat is slechts accidenteel. In de Nederlanden is er ook Anna Maria van Schurman (1607-1678) die beweert dat een intellectuele carrière geschikt is voor een vrouw, zo lang zij maar de middelen en de vrije tijd heeft om dit uit te voeren. Ook dit is geen nieuw concept: al in de oudheid was er het idee van de man die vrij is van arbeid en genoeg geld heeft om zich bezig te houden met schrijven, politiek en denken. Nieuw is wel dat Schurman deze argumentatie doortrekt naar de vrouw.

Als deze auteurs in beschouwing worden genomen, kan er geconcludeerd worden dat er voor en tijdens de 16e eeuw al veel aanzetten waren om op een egalitaristische manier naar de menselijke ziel te kijken, maar dat dit niet altijd even consequent werd doorgetrokken naar de thematiek van de vrouw. Het is pas later dat platoons-christelijke, aristotelische en cartesiaanse intuïties hun expliciete hertaling naar het onderwerp van de positie van de vrouw krijgen.

Locke’s visie op onderwijs  

John Locke – die dokter was – heeft een sterke invloed gehad op Wollstonecrafts algemene visies op onderwijs en opvoeding van kinderen. Beiden pleitten voor het maatschappelijk belang van onderwijs, deugdelijkheid, het leren van omgaan met ‘de harde zaken van het leven’ en het aanleren van medische kennis. Locke heeft een egalitaristische visie op onderwijs: hij vindt dat zowel jongens als meisjes onderwijs zouden moeten krijgen. Ook pleit hij voor meer gelijkheid wat betreft de verantwoordelijkheid van de ouders tegenover hun kinderen. In tegenstelling tot Sir Robert Filmer, die de vader een absolute macht toekende, stelt Locke dat men beide ouders moet eren, en hij verwijst hierbij naar de bijbel. Omdat iedere mens geboren wordt als vrij en rationeel wezen, behoort de moeder evenveel macht en verantwoordelijkheid toe als de vader. Daarnaast moet er volgens Locke ook een goede samenwerking zijn tussen beide ouders in de zorg voor hun kinderen.

Het cruciale element van onderwijs en opvoeding voor Locke is het maatschappelijk belang: kinderen moeten opgevoed worden tot goede burgers. Het aanleren van deugden is hierbij belangrijk. Vanuit zijn empiristische inslag stelt Locke ook dat kinderen zeer vormbaar zijn, hij gelooft niet in aangeboren ideeën. Kinderen zijn het voorbeeld van Lockes tabula rasa. Het vormen van kinderen gebeurt idealiter volgens Locke met het oog op de pijn-genot-verhouding: kinderen moeten leren dat een tijdelijke ‘pijn’ kan leiden tot een later genot en vice versa. Zij moeten dus leren om het bevredigen van hun behoeften uit te stellen en het is belangrijk dat kinderen doorzettingsvermogen aanleren. Onderwijs heeft naast het maatschappelijk belang dus ook een ander, zeer praktisch oogpunt: het leren doorstaan van pijnlijke, moeilijke en harde zaken in het leven.

In tegenstelling tot de latere Wollstonecraft, pleit Locke sterk voor scholing binnenshuis. Voornaamste argument is voor hem daarbij de kwaliteit van het onderwijs in kostscholen die in die tijd de norm zijn. Door het grote aantal kinderen is het onderwijs niet genoeg aangepast aan het individu en nemen kinderen slecht gedrag van elkaar over. Daarnaast wordt er ook aan lijfstraffen gedaan, iets waar Locke ondanks zijn nadruk op pijn bij het leren sterk tegen gekant is. Locke pleit daarbij voor de rechten van ouders. Hij stelt dat ouders meer rechten hebben over hun eigen kind dan de staat en dat dit dus ook inhoudt dat zij het recht hebben om slechte beslissingen te maken. Volgens Locke is het de plicht van de ouders om hun eigen kind op te voeden, te verzorgen en onderwijs te geven.  

Sociaal-contracttheorie

Lockes sociaal-contracttheorie is van belang om te wijzen op de problematiek mbt het huwelijkscontract en de positie van de vrouw daarin. Het is vooral Astell die deze punten aanhaalt om Locke te bekritiseren. Haar kritiek op Locke wordt nog verder toegelicht in het deel van deze paper dat over Astell zelf gaat. Locke ontwikkelt een concept van macht dat ingaat tegen de middeleeuwse traditie van de Goddelijke macht. Niet God verleent macht, dat doet de mens zelf. De vrijheid en gelijkheid van de mensen en de rede van ieder individu is natuurlijk, door God gegeven, en bestaat dus al vóór de burgermaatschappij. De mensen zelf hebben die burgermaatschappij opgezet en gaan zo een sociaal contract met elkaar aan. De macht komt dus van de mensen (burgers) die de macht verlenen maar ook deze ook weer mogen afnemen wanneer ze wordt misbruikt.

Het probleem van Lockes sociaal contract is de band met het huwelijkscontract. Locke veronderstelt dat mensen als gelijke burgers sociale contracten met elkaar aangaan. Daarvoor moet men echter over bezit kunnen beschikken, maar in het huwelijkscontract moet de vrouw haar bezit opgeven aan haar man en dus kan ze geen vrije burger zijn. De getrouwde vrouw is daardoor geen volwaardig individu meer. Het is daarom ook dat Astell stelt dat het in tegenstelling tot wat Locke denkt niet het contract dat de mensen vrij maakt, maar mensen – en dan specifiek de vrouwen – onvrij maakt.

Mary Astell

Astells cartesianisme en kritiek op Locke

Astell kan gesitueerd worden in de rationalistische traditie en is vooral beïnvloed door Descartes. Het is ook vanuit deze positie dat haar kritiek op Locke begrepen moet worden. Descartes’ methode betekende voor Astell dat ze vrij was om te denken, om de ratio te gebruiken en het is die vrijheid die een cruciaal element wordt geacht voor een goed gebruik van de rede tijdens de Verlichting. Door Descartes’ dualisme kan men uitgaan van een gelijkheid van de geest omdat dit Astell in staat stelt te argumenteren voor een ziel die losstaat van de lichamelijke sekse. Zelfs wanneer het vrouwelijke lichaam inferieur aan het mannelijk lichaam beschouwd wordt, valt het niet ontkennen dat ieder mens – en dus ook de vrouw – redelijk is. Descartes zelf stelt dat de ontwikkeling van de rede enkel door leeftijdsverschil beïnvloedt wordt. Het logische gevolg is dus ook dat elk mens, los van sekse, deze rede kan gebruiken.

Kijken we naar Lockes visie op de rede en het denken, dan staat er bijzonder veel op het spel voor proto-feministische auteurs. Locke gaat er van uit dat denken enkel een modus van de materie is. Als die materie bij vrouwen inferieur is (of beschouwd wordt), kan men er niet meer van uitgaan dat ook de vrouw redelijk is. Astell is het oneens met Locke en volgt de lijn van Descartes: materie kan niet kan denken omdat er geen verbinding is tussen denken en materie. Extensie is volgens haar slechts secundair aan het denken en materie en denken hebben niet dezelfde eigenschappen.

Een typisch denkbeweging van de rationalistische traditie is de weg die het individu moet afleggen van de duisternis naar het licht, in navolging van filosofen zoals Plato en Descartes. Deze weg is traditioneel bezaaid met allerlei hindernissen. Astell is de eerste die aan die lijst van beproevingen de ‘belemmering van de vrouwelijkheid’ toevoegt. Vrouwen wordt immers aangeleerd dat ze niet intelligent zijn en niet in staat tot het goed leren gebruiken van de rede en de wil. Dat is de reden dat vrouwen streven naar fysieke perfectie in plaats van mentale ontwikkeling. Zo ontwikkelen ze eigenschappen als ijdelheid en trots. Astell benadrukt dat de manier waarop dit gebeurt slechts tyrant custom is. Iedere mens is immers een rationeel wezen en het is door opvoeding en beïnvloeding vanuit de maatschappij dat vrouwen oppervlakkige mensen worden. In de ultieme zoektocht naar waarheid heeft gender eigenlijk geen belang. Enkel clear and disctinct ideas zijn van tel beweert ze en daarmee treedt ze in de voetsporen van Descartes. Wat wel problematisch is, is dat het lijkt alsof vrouwen worden geboren met een inferieure rede of zelfs onredelijk zouden zijn. Als iemand een getrainde ziel (rede) bezit, is men sterker dan wanneer iemand een ongetrainde ziel heeft. Dat verschil ontstaat dan ook door het leren en is geen aangeboren ‘afwijking’.

Locke lijkt vanuit zijn empiristische metafysica egalitaristischer te zijn dan Astell hem doet uitschijnen. Huidskleur, ras en geslacht zijn volgens hem immers geen essentiele, maar juist secundaire eigenschappen van mensen. Het is echter de vraag of die egalitaristische houding ook toe te passen is op Lockes politieke gedachtengoed, zoals bijvoorbeeld geformuleerd in zijn sociaal- contracttheorie. Volgens Astell heeft elke vorm van macht net wel zijn oorsprong bij God: hij heeft de voorwaarden voor de macht geschapen en ieder mens heeft een verplichting tegenover God. Het is dus ook God die er voor heeft gezorgd dat mannen een bepaalde macht hebben over vrouwen door hun fysieke superioriteit  die door Astell aanvaard wordt. Maar de huwelijkse staat en het huwelijkscontract zorgen ervoor dat vrouwen onvrij zijn en verhinderen de gelijkheid op spiritueel, intellectueel en moreel niveau. Op deze vlakken ziet Astell dan weer geen enkele rechtvaardiging voor mannelijke superioriteit.

Astell en onderwijs

Waar het Astell bij onderwijs voor vrouwen vooral om te doen is, is het zielenheil van vrouwen. Als de vrouw niet leert om lichaam en geest gescheiden te houden en haar geest afzonderlijk van haar lichaam te ontwikkelen zal ze niet in staat zijn de ziel van het lichaam te scheiden na de dood zodat er geen verlossing kan zijn. Een beroep leren en er iets mee doen is voor Astell en ondergeschikt doel.Toch gaat ze er van uit dat onderwijs de vrouw ook zal kunnen helpen in het huwelijk, zoals ze in haar Serious Proposal to the Ladies I en II stelt. In de eerste plaats bij de keuze van de echtgenoot, maar ook bij de beslissingen die bij het huwelijk horen.

Onderwijs draait in haar visie vooral om het streven naar intellectuele perfectie en genot om zo een deugdzaam leven te kunnen leiden. Astell is van mening dat de belangrijkste en ultieme functie van de rede is om de weg naar de waarheid en dus de weg naar God te vinden. Om zo’n deugdzaam leven te realiseren heeft ze zelfs zes concrete regels opgesteld waarin duidelijk de invloed te lezen valt van de Regulae ad directionem ingenii van Descartes.

In Serious Proposal to the Ladies I richt Astell zich dan weer vooral op de wil en de invloed van de maatschappij als belangrijke factoren bij het onderwijzen van vrouwen. Ze uit zich daarbij als voorstander van wat ze zelf religious retirement  noemt: ze wil dat vrouwen zich kunnen afzonderen van de zeden en gewoonten van de samenleving. Omdat ze die gewoonten tyrant custom noemt, is het niet verwonderlijk dat Astell vindt dat vrouwen voorwerp zijn van vernedering en bespotting. Voor de ontwikkeling van de wil ziet ze het als erg belangrijk dat men zich afsluit van de buitenwereld om zo goed te kunnen leren. Gezien haar Anglicaanse achtergrond is het anti-politieke en katholieke karakter van dit concept op zijn minst opmerkelijk. Het plan voor een dergelijke school probeert ze ook in de praktijk te brengen. Astell was van plan een school waar alleen vrouwen toegelaten waren op te richten nadat ze Serious Proposal to the Ladies I had geschreven, maar kan niet genoeg sponsors aantrekken om haar plan te financieren. Als blijkt dat het plan niet doorgaat, schrijft ze Serious Propsal to the Ladies II. Daarin tracht ze vrouwen te leren hoe ze zelf thuis kunnen studeren en zich eventueel voorbereiden op een voorgezette opleiding.

In Letters concerning the love of God lijkt Astell vrouwen vooral warm te willen maken om zich te laten onderwijzen. Ze spreekt minder concreet over hoe onderwijs voor vrouwen er uit moet zien dan in Serious Proposal to the Ladies, maar ze kaart wel een aantal keer in haar gesprekken met John Norris aan hoe belangrijk ze het vindt. Astell geeft aan dat ze het betreurt dat vrouwen enkel bezig zijn met oppervlakkige zaken als het uitkiezen van kleren, het verzorgen van hun lichaam, etc. en ze geeft aan de vrouwen die ze kent hiervan te willen redden. Zij is van mening dat de schoonheid van de geest de meest charmerende en de langst blijvende is, ze noemt het zelfs goddelijk. Ze spreekt hierbij onder andere over the Robe of Righteousness and the Jewels of Piety die de mooiste versieringen van de vrouw zouden zijn. In de tijdsgeest beschouwt men echter kennis als iets onnodigs ziet waardoor er weinig aandacht besteed wordt aan het onderwijzen van vrouwen. Astell complimenteert John Norris hier ook over omdat hij zou anders zijn dan andere heren die vinden dat ze in de keuken hoort te staan en hij zou het niet benijden of slecht vinden dat vrouwen onderwijs krijgen. Norris lijkt op zijn beurt Astell in Letters ook steeds te behandelen als een gelijke. Het is waarschijnlijk onder andere om die reden dat John Norris ook als feminist wordt beschouwd.

Mary Wollstonecraft  

Visie op vrouwenrechten

Mary Wollstonecraft is een aanhanger van de Franse revolutie en voorstander van revolutionaire verlichtingswaarden zoals vrijheid en gelijkheid, ook voor vrouwen. Typisch aan andere (mannelijke) verlichtingsdenkers is dat zij zich ook achter deze scharen en in sommige gevallen – zoals in het geval van John Locke – egalitaristisch waren, maar geen of weinig specifieke aandacht hebben voor de achtergestelde positie van de vrouw. Wollstonecraft tracht de Moderniteit en de Verlichting daarom uit te breiden naar vrouwen: ze richt zich specifiek op de onvrijheid en ongelijkheid van vrouwen die anders was dan die van mannen. Net als Astell pleit ze specifiek voor onderwijs voor vrouwen. Haar redenering luidt als volgt: als elke mens als rationeel en vrij wezen geboren is, dan zijn vrouwen dit ook, ofwel zijn ze geen mens en dat is niet mogelijk. De rede zelf heeft geen geslacht en als vrouwen onopgeleid zijn ligt dit aan het feit dat ze geen onderwijs krijgen. Het is door de samenleving, door het systeem, dat vrouwen beloond worden voor onwetendheid, verlegenheid en zwakheid en dat ze dom worden gehouden. En doordat vrouwen zich hieraan conformeren, dragen ze bij aan de idee dat dit natuurlijk zou zijn terwijl het vooral aan sociale en culturele conventies en wetten ligt.

Wollstonecraft klaagt aan dat het die conventies zijn die van vrouwen slaven en inferieure wezens maakt. Bovendien worden beter opgeleide vrouwen uitgelachen door seksistische mannen en jaloerse vrouwen. Volgens haar zijn er veel jaloerse, inferieure vrouwen die sluw zijn en zo proberen op gelijke voet met mannen te komen. Deze strategie beschouwt Wollstonecraft nooit gelijkwaardig als het niveau van de opgeleide vrouwen. Ze beweert dat deze vrouwen te trots, te ijdel en te onwetend zijn. Mannen zijn dan weer vaak ingenomen door dergelijke vrouwen zodat ze gesterkt blijven in de overtuiging dat alle vrouwen van nature zo zijn en daarom niet onderwezen kunnen worden. Volgens Wollstonecraft houdt dit de onderdrukking van vrouwen in stand en ze pleit dus voor het recht op onderwijs voor zowel mannen en vrouwen.

Ook in Wollstonecrafts argumentatie neemt het concept deugdelijkheid een centrale plaats in: de hele samenleving kan profiteren van onderwijs voor vrouwen omdat vrouwen door onderwijs goede moeders worden, vervolgens hun kinderen goed opvoeden en zo deze kinderen deugdelijk maken waardoor de samenleving in zijn geheel deugdelijker wordt. Het is duidelijk dat haar pleidooi voor onderwijs een zeer praktische kant heeft: ze wil dat vrouwen goede moeders zijn en ziet niet in hoe dit mogelijk is zonder onderwijs. Opmerkelijk aan Wollstonecrafts ideeën rond de vorming van deugdelijkheid is dat zij dit koppelt aan de vooruitgang van de wetenschap. In de Moderniteit heeft wetenschap immers een sterke vooruitgang ondergaan en het is typisch aan de Verlichting om dit te koppelen aan de ontwikkeling van deugdelijkheid.

Wollstonecrafts visie op onderwijs en de invloed van Locke  

Wollstonecrafts visie op onderwijs is niet eenduidig. Zo is ze bijvoorbeeld wat de plaats van het onderwijs betreft sterk van mening veranderd doorheen de tijd. Eerst volgt ze Locke in zijn pleit voor thuisonderwijs, zeker voor kinderen van jonge leeftijd. Later verandert ze het geweer van schouder stelt ze dat naast thuisonderwijs publiek onderwijs – vooral op latere leeftijd – erg belangrijk is. Net zoals Locke is ze sterk gekant tegen kostscholen, maar in plaats van meer thuisonderwijs pleit ze dan al voor nationaal gefundeerde en geregelde dagscholen. Daar zou onderwijs in gemengde groepen gegeven moeten worden om zo de ongelijkheid tussen de seksen weg te werken.

Net als Locke is Wollstonecraft van mening dat de rede bij jonge kinderen zeer ‘kneedbaar’ is. Daarom moet de opleiding zo vroeg mogelijk moet beginnen om het kind in staat te stellen kennis te vergaren in een publieke school. Volgens haar zijn de belangrijkste disciplines waarin men daar onderwezen moet worden anatomie, geneeskunde en wetenschappen, omwille van de vooruitgang die daar in de nieuwe tijd in was gemaakt. Dit zijn niet de enige zaken waarbij Locke van invloed is geweest op Wollstonecraft. Ook zij is empirisch ingesteld en stelt dat ervaring de meest efficiënte leermeester is en dat de rede belangrijker is dan het instinct. Ook zijn er meer gedetailleerde kwesties zoals slaap, spel en voedingsgewoonten waar Wollstonecraft een gelijkaardige positie inneemt als Locke.

De meest significante overeenkomsten met Locke zijn er op het gebied van deugdelijkheid en het belang daarvan voor de maatschappij met daarbij de nadruk op de ‘hardheid’ van het leven. Ook Wollstonecraft pleit er voor dat onderwijs een praktisch nut heeft omdat kinderen worden voorbereid op de harde wereld. Toch is ze geen voorstander van te streng onderwijs. Men moet vooral de rede ontwikkelen en zelfdiscipline aanleren (daarmee wordt bedoeld: controle verwerven over geest en lichaam). Zo leidt onderwijs tot een deugdzaam leven en vormt het een voorbereiding op het burgerschap. De vraag hierbij is wel of deugden aangeleerd kunnen worden want over deze kwestie bestaat nogal wat onenigheid in Wollstonecrafts tijd. Als men er van uit gaat van wel rijst ook de vraag hoe men deze deugden moet aanleren. Vereist dit kennis van principes en proposities of is het een kwestie van het aanleren van vaardigheden?

Locke en Wollstonecraft lijken de laatste optie te verdedigen. Wollstonecraft definieert deugden namelijk als potentieel realiseerbare karaktereigenschappen van de mens in de beschaving. Ze benadrukt hierbij ook dat deugden afhangen van politieke omstandigheden’ en toont hier dus weer aan hoe deugdelijkheid van belang is voor de maatschappij in het algemeen. De waarden waar Wollstonecraft belang aan hecht zijn: respect, genegenheid, eer, integriteit, waarachtigheid, vrijgevigheid, naastenliefde, moed, standvastigheid en het afwijzen van wreedheid. Deze waarden gelden voor zowel mannen als vrouwen en zijn dus ook onafhankelijk van sekse.

Om dit alles te doen slagen stelt Wollstonecraft nog dat er een verandering in de maatschappij nodig is. Het recht op gelijkheid in huwelijk en ouderschap, het recht op werk en uiteraard het recht op onderwijs voor iedereen moet geïnstitutionaliseerd worden wil men een deugdelijke samenleving verkrijgen. Wollstonecraft pleit dus voor een sterke rol van de overheid in het tot stand brengen van goed onderwijs met als gevolg een deugdelijke samenleving en meer gelijkheid voor vrouwen.

Vergelijking

In wat volgt zal er een vergelijking worden gemaakt tussen de visies op vrouwenrechten en onderwijs voor vrouwen van Mary Wollstonecraft en Mary Astell. Hiervoor kies ik ervoor om de overeenkomsten en verschillen tussen de auteurs per thema toe te lichten omdat het niet eenduidig te stellen is op welk gebied er een strikt onderscheid is en op welk   gebied een duidelijke overeenkomst. De verschillende thema’s die zullen worden aangehaald zijn:

  •  De visie op de maatschappij en diens invloed
  • De verschillende tradities waarin de auteurs leefden
  • De rol van Locke
  • De pedagogische invulling van deze visies
  • De praktijkervaring

Astell en Wollstonecraft waren beiden van mening dat het de maatschappelijk positie van de vrouw geen natuurlijke oorsprong heeft. Ook vinden ze beiden dat de vrouwelijke achtergesteldheid niet aangeboren is, maar volledig werd bepaald door de maatschappij. De rede was immers volgens beide sekseloos en het is enkel door scholing dat men de rede kan ontwikkelen. Astell noemt het tyrant custom daar waar Wollstonecraft benadrukt dat mannen en vrouwen het recht op onderwijs van vrouwen in de weg stonden. Beiden beklagen zich over het teveel aan trotse, ijdele en oppervlakkige vrouwen omdat er zoveel nadruk wordt gelegd op de fysieke schoonheid van de vrouw en doordat hen onderwijs ontzegd wordt. Om deze problemen op te lossen formuleren ze antwoorden die lijnrecht tegenover elkaar staan. Astell pleit immers voor religious retirement: de vrouw dient zich los te maken en af te zonderen van de maatschappij om zo de vrije wil en de rede te kunnen ontwikkelen. Wollstonecraft komt dan weer op voor integratie en socialisatie. Ze verdedigt het belang van publieke scholen waarin beide seksen samen konden leren om zo gelijkheid van de seksen en een deugdzame, meer harmonieuze maatschappij te verkrijgen.

Zoals gesteld waren beide auteurs er van overtuigd dat de rede geen sekse had, maar de argumentatie daarvoor verschilt wat volgens mij oorsprong vindt in de verschillende traditie waarin beide auteurs leven. Astell heeft een uitgebreide metafysische argumentatie en is beïnvloed door Descartes en John Norris. Wollstonecraft daarentegen lijkt er van uit te gaan dat als de mens redelijk is, de vrouw dat ook moet zijn. De redenering achter deze stelling lijkt bij haar veel minder van belang te zijn terwijl er bij Astell door haar tegenstelling met Locke veel op het spel staat. De sekseloze ziel is immers van groot belang in Astells argumentatie voor onderwijs voor vrouwen. Zoals gezegd is Astells grootste bezorgheid dat de ziel van vrouwen in de hemel terecht kan komen en dit kan enkel door de ziel los te maken van het lichaam. Dit kan op zijn beurt alleen succesvol gebeuren als men de rede heeft kunnen ontwikkelen. Astells redenen om voor onderwijs voor vrouwen op te komen zijn dus eerder gericht op het transcendente, terwijl Wollstonecraft zich veel meer richt op de concrete werkelijkheid. Dit toont duidelijk aan dat de ene zich in de rationalistische traditie bevindt terwijl de ander toch meer een empirist is. Wollstonecraft wil namelijk vooral dat vrouwen tot goede moeders en echtgenoten worden geschoold met als ultieme doel een deugdelijke maatschappij.

Ook het concept van deugdelijkheid heeft een heel andere rol bij Wollstonecraft dan bij Astell. De laatste heeft geen uitgebreide visie op wat deugden en een deugdelijke samenleving zijn. Bij Wollstonecraft is dit wel het geval en het is vooral de figuur van Locke die daar een rol in heeft gespeeld. De invloed van John Locke is ook de oorzaak dat Wollstonecraft er een veel uitgebreidere visie ontwikkelt over wat onderwijs specifiek moet inhouden. Bij Astells blijft visie op het pedagogische luik eerder onduidelijk. Een andere reden hiervoor kan de praktijkervaring van de auteurs zijn. Wollstonecraft heeft een succesvolle school kunnen oprichten die zij samen met haar zus en een vriendin leidde. Daarnaast is ze ook gouvernante geweest. Astells project was echter eerder onsuccesvol te noemen. Ze wilde een school oprichten waarin vrouwen afgezonderd van de buitenwereld konden leven en leren. Haar onderneming is echter nooit tot stand gekomen; zij kon niet genoeg financiële steun vinden en ziet zich genoodzaakt haar droom op te bergen.

Besluit

Ondanks de inzet van beide auteurs voor onderwijs voor vrouwen, zijn ze erg verschillend van elkaar. Terwijl het Mary Astell vooral ging om het zielenheil van vrouwen, is Mary Wollstonecraft veel verder gegaan in het opkomen voor vrouwenrechten door het belang ervan voor de hele maatschappij te erkennen. Astell blijft eigenlijk nog sterk vastzitten in een religieus kader, waardoor ze gelijke kansen op onderwijs voor vrouwen enkel kan situeren buiten de grenzen van de maatschappij. Wollstonecraft is wat progressiever en probeert te streven naar gelijkheid tussen mannen en vrouwen terwijl ze tegelijkertijd pleit voor onderwijs voor vrouwen gericht op de bestaande maatschappij. Vrouwen moeten vooral leren hoe ze goede moeders en burgers worden en veel minder om te kunnen bijdragen tot de wetenschap, economie, de wijsbegeerte, etc.. Astell zet zich af tegen de opkomende verlichtingswaarden, terwijl Wollstonecraft er volledig in opgaat en tracht deze in haar betoog te gebruiken. Opmerkelijk is wel dat hun meest duidelijke overeenkomst een idee is dat nog altijd van groot belang is voor het feminisme van vandaag: dat de positie van de vrouw een maatschappelijk construct is en geen natuurlijk gegeven. Zowel Astell en Wollstonecraft geloven niet in een natuurlijke inferioriteit van de rede bij de vrouw. Beiden zijn dus uiteindelijk, ondanks de tegenstand van Astell, een kind van hun tijd door zo veel nadruk te leggen op de menselijke rede. Tegelijkertijd zijn Wollstonecraft en Astell ook revolutionair te noemen: ze kunnen gesitueerd worden in de traditie van het rationalisme en het empirisme, maar de radicaliteit van hun ideeën uit zich net in de toepassing van die ideëen specifiek op de vrouw.

Bibliografie

Gedrukte bronnen

ASTELL, M. en NORRIS, J., Letters concerning the Love of God between the Author of the Proposal to the Ladies and Mr. John Norris: wherein his late Discourse, shewing that it ought to be intire and exclusive of all other Loves, E. D. TAYLOR en M. NEW ed. (The Early Modern Englishwoman 1500-1750 Contemporary Editions), Chippenham, 2005.

Uitgegeven bronnen

WOLLSTONECRAFT, M., A Vindication of the Rights of Woman, Londen, 2004, 105-113.

Werken

BOR, J. en PETERSMA, E., De verbeelding van het denken, Amsterdam, 2004.

BRAECKMAN, A., RAYMAEKERS, B. en VAN RIEL, G., Handboek wijsbegeerte, Leuven, 2010.

BRYSON, C., ‘Mary Astell, Defender of the Disembodied Mind’, Hypatia, 13 (1998), 40-62.

FRAZER, E., ‘Mary Wollstonecraft and   Catharine Macaulay on   education’, Oxford Review   of

Education, 37 (2011), 603-617.

JAMES, R. ‘Mary, Mary, Quite Contrary, Or, Mary Astell and Mary Wollstonecraft Compared.’,                                                                                                                                                                      Studies

in Eighteenth Century Culture, 5 (1976), 39-121.

MCCRYSTAL,   J. ‘Revolting women:   the use of   revolutionary discourse in   Mary Astell and   Mary

Wollstonecraft compared’.              History of   Political Thought                 14 (1993),   189-203.

SOWAAL, A., ‘Mary Astell’s   Serious Proposal: Mind,   Method and Custom’,       Philosophy Compass,  

  • (2007), 227-243.

SOWAAL, A., ‘Mary Astell’, The Stanford Encyclopedia of Philosophy,  

2008 (http://plato.stanford.edu/archives/fall2008/entries/astell/). Geraadpleegd op   17 april 2014.

16

STUURMAN,   S., ‘The Deconstruction of   Gender:   Seventeenth-Century Feminism and   Modern

Equality’, S. KNOTT en B. TAYLOR red., Women, Gender and Enlightenment,    New York, 2005, 371-385.

TOMASELLI, S., ‘Mary Wollstonecraft’, The Stanford Encyclopedia of Philosophy,

2014 (http://plato.stanford.edu/archives/spr2014/entries/wollstonecraft/), Geraadpleegd op 17 april 2014.

TUCKNESS, A., ‘Locke on education and the rights of parents’, Oxford Review of Education   , 36 (2010),

627-638.

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s