Het moeras van online activisme (V)

Een Verdachte terugkeer naar Ethiek: anti-oppressiepolitiek.

Žižek noemt zichzelf dan wel een communist, maar zijn communisme is zo doorspekt met biopolitieke paranoia dat hij al begint met op te roepen tot “terreur: ernstige beperkingen van liberale ‘vrijheden’ en de technologische controle over prospectieve criminelen.” Zijn columns in tijdschriften, geschreven voor publicaties zoals de London Review of Books, In These Times en de Guardian vallen consistent “de grenzen van de representatieve democratie” aan, dus, de typische liberale democratie. Hij minacht identiteitspolitiek en politieke correctheid (“politieke correctheid is de liberale vorm bij uitstek van de politiek van angst”) en beschouwt Westerse idealen als vrijheid, gelijkheid en broederschap als een grap. Hij wijst tolerantie af ten gunst van een ideaal van een “gemeenschappelijke strijd” waarin individuen opgelost worden.

De wortels van de anti-oppressiepolitiek

Aangezien Žižeks stellingen het potentieel van het irrationele en paradoxale aan de borst sluiten en tegelijk bestaande ideeën over multiculturalisme en respect en verdraagzaamheid tegenover andere culturen weigeren, lijken zijn conclusies totaal onacceptabel door de lens van de hedendaagse anti-oppressie of ‘social justice’-beweging. Anti-oppressiepolitiek is een alternatief voor het antihumanisme van Žižek door ideeën van verschil te tillen naar het hoogste niveau: de aanhangers ervan zitten in de Moralistische Cluster, die de Verdenking van Foucault bewaart, maar zijn fatalistische Structurele aspecten tempert. Anti-oppressiepolitiek probeert om elementen van Ethische agency en Morele hiërarchie in de politiek binnen te loodsen maar blijft fundamenteel een oriëntatie van Verdenking. Het is deze beweging die ons zelfs veel van het online activisme vandaag geeft.

Hoewel de wortels van anti-oppressie teruggaan op de radicale bewegingen uit de jaren ’60 en ’70, met denkers als Barbara Smith en Audre Lorde, en publicaties zoals het Combahee River Collective Statement, was het de opkomst van kritische studies rond ras en gender in de jaren ’80 dat de huidige gereedschapskist van de anti-oppressiebeweging begon vol te raken. De basistekst wordt hier gevormd door ‘Blank privilege: de onzichtbare knapzak uitpakken’ van Peggy McIntosh uit 1990, en zette de toon voor veel hedendaags anti-oppressieactivisme. Het artikel is een memorabel, bitter recept voor zelfverdenking en daagt de lezer uit om zijn of haar onbestudeerde en onverdiende ‘privilege’ te ontdekken. McIntosh begint met schijnbaar het idee van een individuele Ethische persoon met agency te weigeren:

“Men leerde me racisme enkel te zien in individuele daden van gemeenheid, niet in onzichtbare systemen die mijn groep dominant maakten… Mijn opleiding gaf me geen training om mezelf te zien als een onderdrukker, een person met een oneerlijk voordeel, of een deelnemer aan een beschadigde cultuur. Men leerde mezelf te zien als een individu waarvan de morele staat enkel afhing van de individuele morele wil.”

Ondanks de goede bedoelingen van individuen is deze scheve, zelfreproducerende structuur het archetype van “racisme zonder racisten” (in de termen van socioloog Eduardo Bonilla-Silva). McIntosh roept verder Foucauldiaanse biopolitiek in als een brede analyse van het valse zelfbewustzijn in de meerderheid:

“Onwetendheid over blank privilege, zoals onwetendheid over mannelijk privilege, is sterk in de cultuur van de Verenigde Staten ingebed om de mythe van de meritocratie te kunnen volhouden, de mythe dat democratische keuze er voor iedereen is. De meeste mensen onwetend houden over het feit dat de vrijheid om vol zelfzekerheid acties te ondernemen er slechts is voor een klein aantal mensen ondersteunt wie er aan de macht is en dient om de macht in handen te houden van dezelfde groepen die er al het meeste van hebben.”

Toch begint McIntosh wat lucht binnen te laten. Er zijn dan blijkbaar toch mensen die beschikken over “dat de vrijheid om vol zelfzekerheid acties te ondernemen”, een toegeving die Foucault nooit zou toelaten. McIntosh vindt uiteindelijk een middenweg tussen totaal determinisme door Structuur en de mogelijkheid van individuele agency:

“Individuele daden kunnen deze problemen remediëren, maar niet beëindigen… Systemische verandering vergt vele decennia… Het is een open kwestie of we zullen kiezen om onze onverdiende voordelen te gebruiken en of we iets van onze arbitrair toegewezen macht zullen investeren om machtssystemen te reconstrueren met een bredere basis.”

Het pad dat loopt van “individuele daden” naar “machtssystemen reconstrueren” wordt niet verduidelijkt, maar komt vermoedelijk enkel via een gecoördineerde combinatie van individuele Ethische acties. McIntosh erkent de mogelijkheid die Foucault uitsloot, de mogelijkheid om een systeem van onderdrukking te veranderen. De enige richtlijn die ze geeft is via emancipatorische kennis, in dit geval haar essay. Maar haar voorzichtigheid is duidelijk: de dingen gaan niet snel beter worden en individuele acties zijn momenteel maar pijnstillers.

Intersectionaliteit

Het essay van McIntosh bestrijkt hetzelfde gebied als het werk van Kimberle Crenshaw, de bedenkster van het woord “intersectionaliteit” (nvdv: in het Nederlands ook “kruispuntdenken” genoemd) om overlappende structuren van onderdrukking te beschrijven, bijvoorbeeld in het geval van zwarte vrouwen. Het werk van Crenshaw is complexer en subtieler dan dat van McIntosh, maar er weerklinken echo’s in van dezelfde thema’s in het herintroduceren van Ethische agency in een oorspronkelijk Structureel beeld. Hier geef ik een samenvatting en citeer ik de conclusie van haar beroemde essay rond intersectionaliteit:

Over bestaande anti-oppressiepraktijken: “deze structuur importeert een descriptieve en normatieve kijk op de samenleving die de status quo versterkt.” [Structureel, Verdenkend]

Een voorschrift voor actie: “de noden en problemen aanpakken van wie het meest benadeeld is [Ethisch] en de wereld herstructureren en herscheppen waar nodig.” [Structureel]

Huidige anti-oppressietheorieën hervormen: “de zelfgenoegzaamheid uitdagen die het geloof in de effectiviteit van dit denkkader begeleidt.” [Verdenking]

Het belang van een discours: “we kunnen een taal ontwikkelen die kritisch is tegenover de heersende opvatting [Verdenking] en die een basis biedt voor verbindende activiteiten.” [Ethisch, Solidariteit]

De noot van Solidariteit op het eind is slechts een projectie en is hypothetisch: Solidariteit kan slechts bestaan nadat er correctieve maatregelen zijn genomen om de bestaande structuren te repareren die zulk wantrouwen veroorzaken. Opnieuw lijkt hier een brede kloof te gapen tussen, aan de ene kant, de onmiddellijk Ethische oproep om “de noden en problemen” aan te pakken “van wie het meest benadeeld is” en een kritische taal te ontwikkelen, en aan de andere kant, de monumentale Structurele taak om “de wereld te herstructureren en te herscheppen waar nodig.”

Deze kloof – de afstand tussen palliatieve actie en revolutionaire verandering, dezelfde lacune die we ook vinden in het essay van McIntosh – is misschien wel het centrale motief van het huidige linkse discours, en het blijft een onopgelost probleem. De combinatie van (1) structurele onderdrukking, (2) vals zelfbewustzijn bij zowel onderdrukkers als de onderdrukten en (3) de Ethische imperatief om het systeem te herstellen vormt een immense uitdaging voor links, ver voorbij de uitdagingen waar centrum-links (met zijn zogenaamde valse bewustzijn) zich voor geplaatst ziet.

Toch geeft Crenshaw één belangrijke praktische richtlijn mee die bij McIntosh slechts impliciet is: de Rawlsiaanse imperatief om te focussen op de meest benadeelden. Dit is tenminste al een regel die kan gevolgd worden op het niveau van de Ethiek: des te gemarginaliseerder een individu of een groep is, des te meer verdienen ze aandacht en des te meer zal die aandacht kunnen ontsnappen aan de val van de Structuur. Daardoor verandert het discours van anti-oppressie soms in een wapenwedloop (soms gekarikaturiseerd als “Oppression Olympics”) waarin deelnemers lijken te wedijveren voor het etiket van wie bij de meest onderdrukte groepen hoort. De oorzaak hiervoor is niet simpelweg narcisme of wrok, maar een vereiste voor een soort vergelijkende tabel (rekening houdend met intersectionaliteit) om anti-oppressiewerk te verrichten. Zich bezighouden met wie niet het meeste nadeel ondervindt, versterkt enkel de status quo. Een pleitbezorger van de intersectionaliteit veroordeelde bijvoorbeeld de Matthew Shepard Act, die haatmisdrijven uitbreidde tot misdaden met een gender- of seksuele oriëntatiecomponent, met als reden dat het “de naam en ervaring gebruikt van een blanke, cisgender man als voorbeeld voor homofobe, gewelddadige haatmisdrijven,” in plaats van “meer gemarginaliseerde” slachtoffers in te roepen. Deze intersectionaliteitsberekening zorgt ook voor een manier om disputen te regelen; bijvoorbeeld TERFs (trans-exclusionary radical feminists) zijn deel van het probleem omdat cisvrouwen minder onderdrukt zijn dan transmensen.

Vandaar dus het taxonomiseren en rangschikken van onderdrukking, met het Verdenkende doel om links ervan te verhinderen (terug) af te glijden in vals zelfbewustzijn waarin ze zelf onderdrukker wordt. Deze tendens heeft aanleiding gegeven tot grafieken zoals deze, uit het in 2006 verschenen boek ‘Transformaties: vrouwen, gender en psychologie’ uit 2006.

image02

Het nut van woede

Zulke diagrammen en analyses zullen misschien niet één groep als “meest benadeeld” kunnen uitroepen, maar kunnen zeker helpen op een taxonomie rond Structurele onderdrukking op te bouwen. In algemene bijeenkomsten hanteerde Occupy Wall Street bijvoorbeeld een “progressive stack” om de volgorde van sprekers te bepalen, waar leden van “traditioneel gemarginaliseerde groepen” prioriteit toebedeeld kregen. Deze kwantificatie van onderdrukking, individuen zetten op een schaal van meer naar minder onderdrukt, kan zorgen voor een snelle, methodologische ordening. Het is ook in dit licht dat we een voorzichtige ontwikkeling kunnen zien van een Ethische formule voor actie.

Het is belangrijk om te onthouden hoe zeer deze vorm van denken verschilt met het gedachtengoed van zijn zogezegde bedenkers. Nemen we de oudere teksten van Audre Lorde, dan zien we dat die taxonomie en zuiverende praktijk vermijden ten voordele van een meer visceraal uitgesproken activisme, waarin de potentiële onmogelijkheid van McIntosh’ uitdaging erkend wordt. In 1981 schreef Lorde in ‘Het nut van woede’:

“Wat je hoort in mijn stem is razernij, niet de pijn. Razernij, geen morele autoriteit… De woede van vrouwen kan verschil door inzicht omzetten in macht. Want woede tussen gelijken doet verandering ontstaan, niet verwoesting, en het ongemak en het gevoel van verlies die ze veroorzaakt is niet dodelijk, maar een teken van groei.”

In plaats van vage gebaren te maken over een herstructurering van de samenleving, schildert Lorde een komende dag des oordeels af met apocalyptische, millennialistische ondertonen. Zullen we onszelf redden of onszelf verdoemen?

“Schuldgevoel is een andere manier om door kennis geschraagde actie te vermijden, om tijd te winnen op de urgente noodzaak om keuzes te maken en op de aankomende storm die de aarde kan voeden en bomen kan doen buigen.”

Dit is heel wat anders dan de bloedeloze grafiek van Crawford. Er is niets in het werk van Lorde dat zulke precieze en ordentelijke praktijken vooropstelt zoals haar verre erfgenamen nu doen. De essays van McIntosh en Crenshaw zijn veel minder urgent en woedend, maar aanzienlijk concreter en meer gericht op de praktijk, met een Ethische formule voor alledaagse acties in de plaats van de razernij van Lorde, hoewel conditioneel en met groot Verdenken. Het verschil in focus is een verschil in ideologie. Het standpunt van Lorde suggereert dat zulke routinepraktijken, die schuldgevoel en schaamte over het eigen privilege als een centrale, motiverende kracht zien, in feite een manier is om de enorme omvang te ontwijken van de problemen in kwestie, en er de voorkeur aan geeft de wereld in een schoolse grafiek te vatten in plaats van de werkelijkheid van onderdrukking te confronteren. Deze routines zijn de rituelen van de Moralistische Cluster – ze bevatten bepaalde tropen van internetactivisme, waaronder de meest notoire, de “callout” en de oproep om “je privilege te checken”.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s