Het moeras van online activisme (VI)

Calloutcultuur

Ideeën rond structurele vooroordelen, privilege, performativiteit en intersectionaliteit zijn uiteindelijk allemaal geworteld in Structuur. Een individu kan aan onderdrukkende praktijken doen en die voortzetten zonder dat in het minst zo te bedoelen, of zelfs met de nominale bedoeling van onrecht te bestrijden. Het systeem is machtiger dan het individu. Moralistisch activisme gebruikt deze Structurele ideeën, maar keert de machtsbalans om: via individuele, Ethische, anti-oppressive praktijken kan een individu autonomie verkrijgen en “het systeem verslaan”, ontsnappend uit het gesloten circuit van Foucaults fatalistische Structuur. Maar het Moralistische leentjebuur spelen bij Structurele concepten zorgt voor enkele latente contradicties in de Ethische imperatieven van de Moralist, die uiteindelijk zijn of haar inspanningen kortsluit.

Het belang van Ethische agency is niet beperkt tot de Moralistische Cluster. Het ressentiment dat Nietzsche constateerde bij de algemene bevolking van gelovigen, liberalen en moralisten – die morele superioriteit claimden als compensatiemechanisme voor hun gebrek aan macht en controle over zichzelf en hun omgeving – spookt ook rond door de fundamenten van links-liberalisme. De hautaine morele superioriteit van bioshoppers over fietsers tot recycleerders toont de Ethische pilaar in actie. Wat de Moralistische Cluster onderscheidt, echter, is zijn gebruik van de mechanismen van Verdenking: de neiging om authentieke en positieve agency enkel toe te kennen aan zichzelf, maar wantrouwen aan de dag te leggen tegenover de zelfuitgeroepen motieven van anderen. Activisten moeten vooronderstellen dat ze zelf vrij zijn van enig vals zelfbewustzijn om cognitieve dissonantie en zelfverloochening te vermijden.

Door de lens van Verdenking plaatst Moralistisch activisme een zware last op de schouders van mensen die sociale verandering willen teweeg brengen zonder per ongeluk onderdrukking te bestendigen. Dit wordt het beste belichaamd door de “callout”, een daad bedoeld om “[publieke] aandacht te trekken op problematisch gedrag,” volgens de definitie van Lucy Uprichard. “Calloutcultuur kan hard lijken, zeker voor wie er het doelwit van geworden is, maar het is een noodzakelijk onderdeel in het inrichten van de best mogelijke plaatsen.” De callout spitst zich toe op onbedoelde facetten van iemands gedrag: het toevallige gebruik van racistisch gekleurd taalgebruik, onwetende uitingen van privilege en macht over leden van minder gefortuneerde groepen, en een algemeen gebrek aan bewustzijn. Het internet is op maat gemaakt voor deze callouts en heeft er een vruchtbare, koortsachtige voedingsbodem voor gegeven.

Racisme heeft geen Twitter-account, racisten wel

Onbedoeld, contraproductief gedrag valt volledig binnen het domein van het Structurele valse zelfbewustzijn, dus kan het verrassend lijken om dit begrip gebruikt te zien worden op een Ethische manier. Het Moralistische antwoord is dat onwetendheid geen excuus is. De callout beschouwt goede bedoelingen niet als een verzachtende omstandigheid, omdat bedoelingen weinig meer zijn dan pijnstiller als bijproduct van een vals bewustzijn. Hier is een eigenaardig metonymisch element aan verbonden: het doelwit van de callout, kritiek, het stuk of de uitsluiting komt voor de bredere sociale golf van onrecht te staan dat het doelwit tijdelijk vertegenwoordigt. De beschuldigers definiëren zichzelf gedeeltelijk tegenover dit concrete doel omdat ze zich niet vlot kunnen definiëren tegenover het abstracte principe. “Racisme” en “Classisme” hebben geen Twitter-accounts, dus hoewel er een “racisme zonder racisten” bestaat, moet de activist een individu kunnen vinden om te bekritiseren. Indien de beschuldiger zich zou beroepen op het abstracte principe zou hun activisme terugvallen in de put van de Foucauldiaanse biopolitiek, waardoor alle doeltreffendheid zou teniet gedaan worden. Dus, vat moet, zegt de callout: het doel is dan misschien wel een instrument van onderdrukking, maar kan nog terugvechten! De Moralistische callout neemt het agency van een individu onder vuur, maar de kritiek heeft enkel gewicht binnen de grotere context van een fundamenteel Structurele visie, waardoor de metonymie in elkaar klikt. Moralistische praktijken hangen af van grootschalige principes die ze geërfd hebben van de Theoretische Cluster, zoals racisme, seksisme, validisme, om een fundament te vinden voor hun beschuldigingen over vals zelfbewustzijn. De Moralistische Cluster is Ethisch, maar zijn concept van goed en kwaad blijft Structureel – de bron van de zonde is het systeem, niet het individu. Zodoende spelen voor de Moralist zowel Structuur als Ethiek een symbiotische en tegelijk contradictorische rol. Ethiek triomfeert in het moment omdat de callout geldig moet blijven, maar de callout zou geen spankracht hebben zonder het Structurele overblijfsel dat erin vervat zit. De callout vereist van het doelwit vooreerst dat hij of zij erkent wat zijn of haar rol is in de onbewuste Structurele krachten van de hiërarchie, en die dan ook prompt aflegt en Ethisch zuivert. Op dezelfde wijze kan de Moralist altijd twijfelen aan zijn of haar Ethische praxis door de Verdenking dat hij of zij misschien wel Structurele onderdrukking omarmt terwijl hij of zij er net tegen lijkt te vechten.

De callout is intrinsiek ad hominem. De redenen hiervoor zijn nogal onduidelijk. Hoewel de callout inderdaad gebaseerd is op persoonlijke attributen van het doel, zoals ras en gender en niet enkel de bijzonderheden van het gedrag, is dit type ad hominem nauwelijks specifiek voor de callout (denk bijvoorbeeld aan de term “mansplaining”). Waar de Moralist verschilt van de standaard ad hominem is de focus op het vals zelfbewustzijn. Door te verklaren dat de oppervlakkige, bewuste bedoelingen achter het gedrag van het doel ondergeschikt zijn aan de sociale verhoudingen die het doel er toe drijven om zonder het zelf te weten, onderdrukking te promoten, maakt de Moralist een punt over het karakter van het doelwit – dat hij of zij een slachtoffer is van vals zelfbewustzijn. Vals zelfbewustzijn is geen kostuum dat kan aan- en uitgetrokken worden; het is iets dat het doelwit altijd met zich meedraagt, en dus hoewel een individuele callout gefocust kan zijn op één slechte daad, is het een veroordeling van het hele karakter van die persoon – een persoon die nu voor altijd rekening dient te houden met de erfzonde van vals zelfbewustzijn. Dat is waarom de callout nooit kan beantwoord worden in één keer; het meeste dat iemand kan doen, is beloven in het vervolg better het systeem proberen te bestrijden, wetend dat hij of zij in het vervolg in de gaten gehouden wordt. Indien het doelwit de callout ontkent of tegenspreekt, zal hij of zij de mogelijkheid verliezen om onwetendheid als excuus te gebruiken voor fout gedrag vanaf dat punt. Wie de callout zelf gebruikt, plaatst zich in de positie van een gezegende, Moralistische uitverkorene die vals zelfbewustzijn diagnosticeert als een karaktergebrek – hoewel dit de Moralist niet vrijspreekt van het doel te kunnen worden van andere leden van die uitverkorenen.

Verdenking in de klas

Het is dus beter na te denken over anti-oppressieve leerscholen als hervormers van het karakter in plaats van een soort pedagogie. Ze leren een een sprong aan in zelfbewustzijn waardoor men zich kan emanciperen vanuit wijdverspreid vals zelfbewustzijn. In navolging van McIntosh stelt Tressie McMillan Cottom op welsprekende wijze voor hoe ze theorieën rond Structuur en Verdenking inzet in de klas:

“Als leraar heb ik de indruk dat studenten moeite hebben met het idee van structuur. De Amerikaanse mythe van het ruwe individualisme is springlevend. We vinden het prachtig om te geloven dat niets de kansen in onze levens bepaalt buiten onze capaciteit om hard te dromen en te werken, ondanks stapels bewijzen van het tegendeel… En als de structuur in kwestie racisme is en iemand die eruit ziet als ik leidt de discussie, dan zijn het vooral de blanke studenten die het moeilijk hebben. Hoe kan iets racistisch zijn als ze het niet racistisch bedoelen?

Als ik de meerderheid van de klanten in het hoger onderwijs kwaad wil maken, dan is het een goede methode om de natuurlijke superioriteit van mannen uit te dagen door een vrouwelijk autoriteitsfiguur te zijn, blanke onderdrukking te counteren door te wijzen op structureel racisme, en jonge mensen doen voelen wat het is om geschokt te zijn. Als… ik als professor disaporastudies zou geven, dan zou dat mijn job zijn.”

De spanningen die de nieuwe vereisten van een Ethische opvoeding teweeg brengen, zijn hier evident: het is een zware taak om een leraar te vragen om verlichte inzichten te verkrijgen uit boze reacties. Als Structuur zo doortastend, geniepig en veel voorkomend is, dan lijkt één semester nauwelijks voldoende om onbedoelde en diep ingenestelde onderdrukkende neigingen te bestrijden. En, gezien de onverwoestbaarheid van vals bewustzijn zijn boze reacties precies wat Verdenkers verwachten van de pedagogische confrontaties van een Moralist. Indien de leraar zelf geen historiserende kracht is (opnieuw, een zware taak) is er geen theoretische reden waarom hij of zei zou triomferen over de Structurele krachten die aan het werk zijn in zijn of haar leslokaal, of zelfs maar in zichzelf. De Moralistische pedagoog stelt zichzelf voor een uitdaging die door zijn eigen definitie succes uitsluit, zelfs al stelt hij of zijn pedagogisch falen gelijk aan moreel falen.

Een andere leraar beschreef precies dit probleem in de commentaren op het artikel van McMillan Cottom:

Er was een soort pedagogie die ik te verwerken kreeg aan de universiteit die wel degelijk vooropstelde dat het de plicht was van een professor om studenten bewust te maken van de werkelijkheid van racisme en racistische geschiedenis en zo verder, om studenten te helpen “hun privilege te erkennen” en hun eigen geïnternaliseerde racisme onder ogen te zien. De implicatie was dat als je dat als professor niet deed, dat je zelf racistisch was en dus racisme bestendigde. En indien je studenten er niet kon toe brengen om verantwoordelijkheid op te nemen voor hun eigen privilege en hun racisme te bekennen, zou dat ook de voortzetting van racisme betekenen…

Het probleem met dit soort opvoeding is dat studenten meestal niet genoeg historische achtergrond hebben over systemen van onderdrukking in het algemeen om te begrijpen hoe dit allemaal werkt. Zonder historische basis is het moeilijk om de uitdaging je “privilege te erkennen” en je “racisme onder ogen te zien”, niet persoonlijk te nemen.

De spanning houdt aan. Als een student deze systemen van onderdrukking zou begrijpen, dan zou Verdenking vereisen dat “je privilege erkennen” en “je racisme onder ogen zien” nauwelijks zou volstaan om een kras te maken in deze systemen, en net zo goed façades zouden kunnen zijn waarachter Structurele vooroordelen zouden blijven gedijen. De enige manier om te slagen zou zijn als de les een soort emancipatorische, zelf-actualiserende ervaring was voor de student die voordien gevangen was in Structureel vals bewustzijn, en de les zou verlaten als een vrije Ethische persoon. Maar er is geen duidelijke voorbereiding voor dit type van bewustzijnsverruiming. Moralistische praktijken garanderen nergens zulke emancipatie (eerder het tegendeel, zoals we gezien hebben) en oprechte inzichten zijn zelfs op de beste momenten moeilijk om aan studenten op te leggen. Het is onnodig et vermelden dat dit type pedagogiek nog minder succes kent online, wat ervoor zorgt dat Moralistische activisten bijna constant gefrustreerd zijn op Twitter, waar de callout een meer performatieve dan onderwijzende functie heeft.

Deze frustratie is duidelijk merkbaar in de derde aflevering van de webkomedie ‘Tales from the Kraka Tower’ van Aphrodite Kocieda. Assistent-docent Lakisha (gespeeld door Kocieda) begint haar eerste les over ‘Diversiteit in de Verenigde Staten’ met te praten over “systemen en dominantie”, om vervolgens tegengesproken en gefrustreerd te worden door onwetende studenten die dingen zeggen als “racisme bestaat toch gewoon niet meer” en “vrouwen en mannen zijn gelijk, de dag van vandaag”. Hoewel dit precies is was een Moralist verwacht in de lagere jaren van de universiteit, beeldt Kocieda deze situatie niet af als een falen van de opleiding, maar een falen van de studenten zelf: een karaktergebrek. De lesgever kan geen wonderen verrichten met zulk armzalig materiaal. Het beste wat ze kan doen is hen er op wijzen, opnieuw en opnieuw.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s