Het moeras van online activisme (VII)

Het Radicale antwoord

De hardliners van de Structurele Solidariteit, of ze nu communisten, autonomisten of anarchisten zijn, hebben de neiging net zo veel minachting te koesteren voor de Moralistische als voor de Liberale Cluster. Voor hen zijn Moralistische activiteiten pretentieuze, hypocriete dilettanten die niets weten over Marx en bang zijn voor revolutie. Radicale kritieken op Moralistische tropen zijn niet erg zichtbaar in de Amerikaanse cultuur omwille van twee redenen: eerst en vooral zijn er weinig Radicalen aanwezig in institutionele krachten van academia tot de media, en ten tweede hebben Radicalen de neiging om het debat met het mainstreamdiscours uit de weg te gaan. Waar Moralistische types internetoorlogen en retorische campagnes uitvechten (zoals bijvoorbeeld RaceFail in 2009 en GamerGate in 2014 duidelijk maken hoe abnormaal veel tijd Moralisten doorbrengen met hun tegenstanders één voor één op het matje roepen), zijn eerder Radicale websites als Lenin’s Tomb, The North Star of K-Punk niet geneigd te strijden tegen hun ideologische tegenstanders of om de hand te reiken aan wie nog niet overtuigd is. Als een gevolg daarvan behandelen ze Moralistische ideeën op een gelijkaardige manier als ze Liberale ideeën bekritiseren, waar ze Ethische actie zien als een nepmiddel, met dezelfde retoriek van klasseconflict (Moralistische retoriek, op haar beurt, negeert de Radicale Cluster meestal).

‘Het vampierenkasteel verlaten’ van Mark Fisher is een onhandige, brutale aanval op Moralistische denkbeelden die Moralistische activisten veroordeelt als bourgeois, geprivilegieerde individualisten die “een uiteindelijk liberaal begrip van ras en gender gebruiken om klassenverschil te verdoezelen”, met een “solipsistische logica die niet verstaat dat we elkaar niet kunnen begrijpen indien we niet tot dezelfde identiteitsgroep horen.” De razernij van Fisher gaat niet in op Moralistische argumenten, maar wil ze van de kaart vegen. Het antwoord van Michael Rectenwald, ‘Wat is er mis met identiteitspolitiek (en kruispuntdenken)?’ corrigeert een aantal van Fishers excessen maar is het er mee eens dat op identiteit gebaseerde Moralistische politiek fundamenteel reformistisch, liberaal en nutteloos is:

Identiteitsgroepen zoals “hetero blanke man”, “zwarte homoman”, “lesbische zwarte vrouw”, “transpersoon” enz. zijn geen natuurlijke categorieën waar mensen in geboren en gesorteerd worden. Ze zijn eerder vrij recente groepen die enkel mogelijk zijn onder kapitalisme, gelijk aan beroepen met hun eigen vorm van vervreemding nog voordat werkverdeling plaatsvindt.

Het probleem is dat Fisher en Rectenwald de zaken omkeren tegen de Moralistische (en Liberale) ethische lading. Zelfs indien identiteit een product is van kapitalisme, zorgt lidmaatschap van een avant garde niet automatisch voor immuniteit voor vooroordelen. Het beste dat een Radicale ideologie kan aanbieden, sporend met haar Structurele waarden, is dat alle vooroordelen na de revolutie onder de mat zullen geveegd worden en dat onderdrukte groepen enkel moeten wachten tot dat gebeurt. Het argument dat zulke vooroordelen onvermijdelijk zijn in een prerevolutionaire samenleving is niet echt overtuigend in het licht van incidenten zoals recent in de British Socialist Worker’s Party, waar de leiding de indruk gaf beschuldigingen van verkrachting tegen een belangrijk partijlid toe te bedekken. Beschuldigingen van verkrachting deprioritiseren en toebedekken in dienst van een revolutionaire zaak is precies het soort van Solidariteit dat zorgt voor woedende Verdenking. Partijleden werd het sterk afgeraden om naar de politie te gaan: verhaal halen bij het bestaande systeem werd gelijkgeschakeld aan contrarevolutionair zijn – ethiek zelf komt dus pas op de tweede plaats binnen de grotere strijd. Zoals David Ingram zei over Marx: “Hij klinkt meer en meer als Bentham als hij er ons aan herinnert hoe nutteloos lege waarden als mensenrechten zijn in conflicten over eigendom en andere zaken in distributieve gerechtigheid.” Voor wie in actie kwam door de dood van Michael Brown en meer onmiddellijke oplossingen wil voor racistisch geweld, volstaan Radicale beloften van uiteindelijke rechtvaardigheid niet.

Een veel bedachtzamere kritiek is ‘Met bondgenoten als deze: reflecties over privilege-reductionisme’, ogenschijnlijk het werk van een anonieme groep anarchocommunisten uit Ontario. In plaats van de klassenstrijd op de voorgrond te laten treden, beargumenteren ze dat Moralistische ideeën, die ze kaderen als “anti-oppressiepolitiek”, de mogelijkheid voor positieve veranderingen beperkt en machteloos staat tegenover “de institutionele fundamenten van onderdrukking”. Ze omschrijven de Moralistische strijd voor anti-oppressieverlichting als een zelfhulpprogramma.

Voor het geprivilegieerde subject wordt de strijd voorgesteld als een zaak van persoonlijke groei en ontwikkeling – de daad van het streven naar de beste, minst onderdrukkende persoon te zijn die je kan zijn. Er is een hele industrie opgebouwd rond het voorzien van bronnen, gidsen en training om mensen te helpen om onderdrukking te overwinnen en “hun privilege te checken”. De onderliggende gedachte van deze aanpak is dat privilege kan weggedacht worden. Op zijn best is deze aanpak niet effectief, en op zijn ergst verlegt het de focus van wie privilege bezit ten koste van de grotere politieke strijd…

De cultuur van anti-oppressiepolitiek leent zichzelf tot de creatie en het onderhoud van eilandjes van activisme. Een zogenaamde “radicale gemeenschap” – bestaand uit communes, activistische ruimtes, boekenclubs, enz. – die gebouwd is op anti-oppressiepolitiek adverteert zichzelf als een toevluchtsoord uit onderdrukkende relaties en interacties met de buitenwereld. Dit idee van “gemeenschap”, samen met de intense focus van anti-oppressiepolitiek op individuele en micropersoonlijke interacties, in het gareel gehouden door “callouts” en het checken van privilege, laat het toe om triviale lifestylekeuzes te gaan politiseren. Dit leidt tot een bizar proces waarin alles, van fietsen over tuinieren tot breien, aanvaard wordt als een radicale activiteit…

Privilege is een kwestie van macht… Het is veel meer dan persoonlijk gedrag, interacties en taalgebruik, en kan niet weggewenst of weggebiecht worden… We moeten ons samen organiseren om de materiële infrastructuur die macht concentreert (privilege is daar één resultaat van) uit te dagen. Alles wat minder is dan dat is privilegereductionisme – het reduceren van complexe systemen van onderdrukking met een materiële, institutionele basis tot een zaak van louter persoonlijk interageren en persoonlijk gedrag…

Vanuit een fundamenteel Structurele oriëntatie zoomt het essay in op het meest flagrante gebrek in de Moralistische praktijk, wat we ook al zagen bij het essay van McIntosh: er is geen gids waarmee reeksen van ad hoc callouts en inzichten Crenshaws vaag “herstructureren en hermaken van de wereld” kan bereikt worden. De auteurs gebruiken op slimme wijze het Theoretische gevoel van futuliteit tegen Moralistische technieken: “Geen enkele callout of privilegecheck zal ons tot individuen maken die niet besmet zijn door de gewelddadige sociale relaties waar onze maatschappij van doordrongen is.” Met andere woorden: de zelf-actualiserende emancipatie uit Structurele krachten is een illusie. Door hun licht te laten schijnen over de interne contradicties van de Moralistische positie erkennen de auteurs de geldigheid van Moralistische kritieken, maar bepleiten ze tezelfdertijd hun acute zaak voor Solidariteit en Structuur.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s